Gedurende de oorlog steeg het bevolkingsaantal in de lazaretstad Izegem , waardoor de kans op verspreiding van besmettelijke ziektes heel groot was. Vanaf 22 november 1914 werden er een aantal maatregelen getroffen op gebied van hygiëne. Zo moesten dokters voortaan alle gevallen van tyfus, dysenterie, roodvonk, mazelen, difterie, pokken, tbc en andere verdachte zaken onmiddellijk gaan melden in de kommandantur. Een andere maatregel was dat alle bewoners hun afval en vuilnis moesten opruimen en dat het afval twee maal per week werd opgehaald. Verder moesten straatopeningen, afvoerschachten en putten af en toe met kalkmelk ontsmet worden en moest men vermijden om paardenmest op te stapelen. Een laatste maatregel was dat men enkel gekookt water mocht drinken.

Indien er patiënten, zowel soldaten als burgers, waren met dysenterie of tyfus werden ze meteen opgenomen in Villa Marie Antoinette of de Ortskrankenstube in de Gentstraat 50. De medebewoners werden thuis gevaccineerd en de besmette persoon moest vier weken in quarantaine verblijven. Het huis en de latrines werden ook gedesinfecteerd.