Redemptoristenklooster, Roeselare

In het begin van de oorlog werd door de provinciale overste van de Redemptoristen de opdracht gegeven dat alle lokalen van de paters Redemptoristen ter beschikking moesten gesteld worden van zieken en gewonden, zonder onderscheid. Bij de paters Redemptoristen  in Roeselare kwamen de eerste Belgische soldaten aan op 12 oktober 1914.

Op Schuwe Maandag werd het klooster zwaar beschadigd, maar het retraitehuis met hospitaal werd gelukkig niet getroffen. Naast Belgische soldaten werden er ook Duitse soldaten verzorgd, wat zorgde voor spanningen tussen beide groepen. Op 2 november 1914 verlieten de Duitse soldaten echter het lazaret en werd het klooster voorbehouden voor geallieerden. Dit was het enige in bezet België. Wanneer ze het klooster verlieten namen de Duitsers de bedden en het beddengoed mee waardoor de gewonde geallieerde soldaten op strozakken en vochtige vloeren moesten liggen. Maar de Duitse bezetter beschouwde de geallieerde gewonden als krijgsgevangenen om zo snel mogelijk naar Duitsland over te brengen. De paters probeerden de gewonden daarom zo lang mogelijk ongenezen te verklaren. Op de foto zie je een pater met enkele gewonde soldaten van verschillende nationaliteiten.

Op 15 mei sloot de Duitse overheid in Roeselare het hospitaal. Eind 1915 werd het een hospitaal voor burgerslachtoffers  en een onderdak voor vluchtelingen uit de streek rond Ieper.

Op 17 oktober 1917 verlieten de paters het klooster wegens bombardementen. Het klooster werd sindsdien gebruikt als slaapplaats en later, in juli 1918, als ‘feldlazarett’ voor Duitse soldaten. Tijdens het eindoffensief werd er een groot deel van het klooster vernield.  Bij de bevrijding werd het ingericht als een verzorgingstehuis voor Franse soldaten.