Staden-Oostnieuwkerke-Westrozebeke

Staden lag in het operatiegebied, dicht bij het front en was een belangrijk onderdeel van de Duitse linies met zijn verschillende loopgravencomplexen en krijgsgevangenkampen.

Op Schuwe Maandag sloegen de meeste inwoners van Staden, Westrozebeke en Oostnieuwkerke op de vlucht. Een paar dagen later keerden de eersten angstig terug naar hun verwoeste dorp, gevolgd door alsmaar meer inwoners uit de frontstreek (Jonkershove, Langemark, Merkem, …). 

Tweehonderd niet gevluchte Westrozebekenaars moesten eind januari 1915 hun huizen verlaten, de meesten verhuisden naar Roeselare. Het dorp diende nu enkel nog als rustplaats voor Duitse soldaten. De kerk kreeg een herbestemming van hospitaal naar paardenstal. Om te vermijden dat de kerktoren het mikpunt bleef voor de Franse en Britse artillerie, werd hij afgebroken.

Gevangenen in Staden moesten in de lente van 1916 militaire versterkingen bouwen.

Tijdens de derde slag van Ieper lagen Westrozebeke, Moorslede, Slypskapelle en Dadizele plots op een boogscheut van de eerste linies met een complete verwoesting als gevolg. In de zomer van 1917 kreeg de grote toevoer van gewonden een onderkomen in de schoollokalen, als lazaret ingericht. De weken volgend op de gasaanval zorgde voor een gigantisch groot aantal Duitse gewonden en een overbevolking van het klooster als lazaret. De scholen, de kerk en een kasteel werden meteen omgedoopt tot hospitaal.

Door de verschuiving van het front met het Duitse lenteoffensief in 1918 keerde de rust weer in Staden. De beschietingen namen af en na het offensief kregen de Stadenaars toelating om terug te keren naar hun huizen.

De Stadenberg speelde een belangrijke rol in het eindoffensief. Er werd zwaar gevochten op de flanken en heel wat soldaten lieten er het leven. Dankzij de Fransen kon uiteindelijk de berg worden ingenomen en even later zonder al te zware gevechten werd ook het dorp Staden bevrijd.

Het dorp was na de oorlog zeer zwaar verwoest. Het zou dan ook nog lang duren vooraleer de meeste Stadenaars terugkeerden.

Foto: collectie Johan Delbecke, Roeselare