De plaatse van Rumbeke was lijk een graf

In zijn oorlogsdagboek schreef Pastoor Slosse over zijn vlucht op Schuwe Maandag in Rumbeke.

19 oct. Geschut tusschen Fransen en Duitschers van ¼ voor 9 ure tot den 5; bombardering van de dorpsplaats van 1 ure tot 2 ure. Ik zat dan in mijnen kelder met E. H. Viaene. ¼ voor den elven, ’ s morgens, schooten de Franschen den top van ’t hoektorentje af, staande op den noordoostkant; gelijkelijk al den zelfden kant eene groote bresse uit den toren. De Franschen zaten dan op Batavia te Rousselare. ¼ voor den elven ook wierd mijne pastorij door de Duitschers overrompeld, en, na alles onderzocht te hebben om te zien of er geene Engelschen waren, moest ik mede naar kerk en toren; beneden komende, kon ik vluchten door de sacristie naar “het hof van commerce” of “lietje Verholle’ns” en van daar met eene ladder, over de muren naar bakker Verhaeghens, M.M. Cardoen en Verfaillie, mijne onderpastors, wierden ook ongelijk aangedaan, en van dan voort hebben wij onze burgerkleeren aangetrokken; daarenboven zijn de drie onderpastoors en de koster den Oosten in, en machtig veel prochianen op vlucht gegaan den Westen in. De plaatse van Rumbeke was lijk een graf.