De vijand

Fragment uit het oorlogsverslag van de soldaat Arthur Colpaert waar hij luizen als een tweede vijand in de oorlog beschouwt.

“Tot in Bray-Dunes (12 maart 1915) had ik nog niets waargenomen, als mij zekere dag een vriend zegt: In mijn hemd heb ik eenige beestjes gevonden welke mij eenige dagen reeds straf gekweld hebben. Enkele dagen later hoort men over niets anders meer spreken, een nieuwe vijand komt ons te overvallen! zegt men. Wij zouden het maar al te goed ondervinden dat deze een erge wezen zou. In Bray-Dunes had iedereen de gelegenheid, iedereen neemt ze te baat, om eens goed zijn ondergoed te laten koken. Daarmede denkt men er vanaf te zijn. Het is goed weder en rond een weide gelegen zou men denken dat het een bleekerij is. Voor het oogenblik waren wij  van deze beestjes verlost maar ’t zou niet voor lang zijn. Heel de oorlog zal deze vijand ons bijblijven, soms erg gekweld door deze luizen. Nu is het 28 februari 1916 en nog zijn wij van bovengenoemde vijand niet verlost. Er komen nog steeds nieuwe vijanden bij zoodat wij voor den ogenblik hebben: de luizen, die zijn de ergste, dan volgt de duitsch, muizen welke aan ons brood en kleederen vreten, en ratten waarvan wij er gisteren een gevangen hebben. Zij had het gewicht van een kilo, en was een klein kuuntje gelijk. Wij moeten niet hopen vrede te kunnen maken met een dezer vijanden afzonderlijk. Daarom betrouwen wij erop, als wij een dezer vier kunnen overwinnen, van alle vijanden zullen verlost zijn.”