Vader, vader, komt bij ons

In zijn dagboek beschreef Jules Kindt hoe hij met zijn gezin op Schuwe Maandag was weggevlucht.

Vader, vader, komt bij ons!

Wij waren een beetje na den middag vertrokken, en gingen zoo maar altijd verder. Als wij zoo enigen tijd gegaan waren, zagen wij dat er in onze stad groote branden uitgebroken waren, hetgeene ons aanzette om verder, altijd maar verder op te trekken. Onderweg hadden wij nog eenige Engelsche beschuiten kunnen bemachtigen, alsook wat vleesch uit dozen van het Engelsch leger. Als het avond wierd hadden wij zoo een 15tal km afgelegd, en nog geen een van de kinderen , had nog teeken van vermoeidheid gegeven. Zelfs de kleinste niet – iets wat bijna ongeloofelijk was. Wij waren op een dorp aangekomen waar veel Engelsche soldaten waren. Wij trokken een café binnen en bleven daar vernachten op stoelen, en een of twee van de kinderen kregen een plaats om op tafels te slapen.

’s Anderdendaags zetten wij onze vlucht verder, tot wij in Poperinge aanlanden. Wederom in een café- waar wij ook mochten vernachten- als er geen soldaten kwamen, zegde men. Gelukkig kwam er geen, en konden dus vernachten. Den volgenden morgen ging ik eens gaan zien of ik geen verblijfplaats ging ontdekken, om daar betere tijden af te wachten, en zoo kwamen wij terecht in het “oude-mannehuis”, waar wij goed ontvangen wierden door de zusters, en moeder kon maar straks beginnen met patatten te schillen ik dacht, hier zullen wij wel eenigen tijd kunnen verblijven. Intusschen was ik eens op verkenning uitgegaan in stad, en had vernamen dat wij allen gingen opgeladen worden om naar Engeland te gaan. Wij moesten naar het politiebureel gaan en gingen daar een briefje krijgen per veertien man, en daar ik daar juist was met een vluchteling uit Mechelen, en onze groep, samen uit bijna veertien man bestond, kregen wij een briefje, om na de middag te vertrekken. Ik ging naar mijn vrouw en kinderen toe, en vertelde hun alles. Wij raapten alles samen wat hij hadden, en het was natuurlijk niet veel- en gingen naar het station. Daar zou een trein ons komen afhalen om naar Calais te gaan, en vandaar zoogezeid naar Engeland.

De trein kwam voor. Een goederen-trein. Maar nu- bij het buitengaan van het station, moesten de vrouwen en de kinderen langs den eenen kant, en de mannen langs de anderen. Ik hoor nog altijd mijn oudste jongentje roepen: vader, vader, komt bij ons! En ik liep- al wat ik loopen kon, om terug bij hen te zijn, en het gelukte dat we de reis tesamen konden verder maken. Wij zaten in een wagon waar paarden mede vervoerd geweest waren. Daar lag wat stroo, en konden ons daar wat gemakkelijker rond elkaar zitten. Maar wij hadden geheel weinig eten, maar door de bekommernis hadden wij noch te kinderen grooten honger. Toch kregen wij daar nog wat doozenvleesch van een man – voor de kinderen- en zoo kwamen wij met den avond aan in Hazebrouck in Frankrijk. Wij wierden in eene school gedaan, waar veel stroo lag van soldaten die hier ingekwartierd geweest waren, en kregen daar ook wat versch brood, en een kom warmen bouiilon. En zoo konden wij daar vernachten.