Welk een vreselijke nacht

In zijn boek ‘Roeselare in den Oorlog’ beschrijft Abraham Hans de brand in het Arsenaal tengevolge van het bombardement op Roeselare op 21 juli 1917

In die dagen gebeurde te Roeselare een vreeselijk drama. De stad bezat een prachtig gebouw, waar ze fier op was. Het heete ’t Arsenaal en stond op een plein, dat in onzen jongen tijd nog de Houtmarkt werd genoemd, maar nu, door ’t Arsenaal, natuurlijk wapenplaats werd herdoopt. Ik geloof dat de Duitschers het op hunne beurt naar Bismarck noemden. In dat Arsenaal logeerden soldaten en op den 21e juli, toen de burgerij in stilte den nationale feestdag had herdacht, lagen er wel 1000 man in het gebouw. ’t Was kalm geweest, maar ’s avonds rond elf uur kwam er eenklaps bezoek van eenige vliegtuigen. Deze vlogen eensklaps zeer laag en begonnen met zoeklichten te werken. En bijna tegelijkertijd vielen er bommen. ’t Arsenaal werd getroffen en in een oogenblik stond het in lichterlaaie. De bovenzaal was van hout. Het vuur vond er gretig voedsel en liep ook lekkend langs de trap. Het sloegen de vlammen op.

Daarbinnen klonken verschrikkelijke kreten. De soldaten die boven logeerden zagen hun uitweg afgesneden. Huilden, gillend, schreiend, verdrongen ze zich voor de ramen. De voorsten sprongen naar beneden, braken armen, beenen of nek. Het vuur woedde om zich heen en uit dien vervaarlijken brandstapel klonk doodsgeschrei. Beneden stormde men heen. De vliegers schoten met machiengeweren. Als wilden renden de Duitschers door de straten. Sommige wentelden zich op den grond om het vuur van hun kleren te dooven. Maar nieuwe slagen klinken en wat verder werd ook de Nijverheiddschool getroffen. Eveneens waren daar soldaten ingekwartierd, die zich niet allen uit den brand konden redden. Weer hoorde men ’t barsten van bommen. De gasfabriek was geraakt. Een nieuwe vuurhaard. Door de gansche stad laaide de gloed. De (holle) klaarte gleed over de daken, danste op de gevels, weerkaatste in de ramen. De burgers snelden hun huis uit. De pompiers rukten aan. Wat konden ze doen? ’t Was niet mogelijk het arsenaal te naderen. Van het dak druppelde in gloeiende kogels het smeltende zink. En men zag een fontein van gensters en vonken. En dan het gegil, het gehuil, al maar voort uit het Arsenaal en uit de nijverheiddschool, waar op zolder veel stroo opgestapeld lag. In den vuurpoel werd het leven van honderden verteerd. Het getier werd stiller daar binnen. ’t Was zwijgen van de doodel nu.. Maar in de straten bleven soldaten voort lopen, als waanzinnig van angst. Welk een vreselijke nacht.