Richard Debussschere was afkomstig uit Lichtervelde. Als kind woonde hij met zijn ouders in het doodlopend stukje Bollestraat, ten westen van de spoorweg. In 1908 trouwde hij met een vrouw uit Torhout en verhuisde naar daar.

Tijdens de oorlog werden er Duitse soldaten ingekwartierd in hun huis. In de zomer van 1915 kwam het jonge gezin in de problemen. Één van die Duitsers had de vrouw van Richard ervan beschuldigd eetwaren gestolen te hebben. Of dit daadwerkelijk zo was is nooit ten gronde onderzocht, maar Richard moest hoe dan ook opdraaien voor deze vermeende diefstal. Op 21 augustus 1915 werd hij in zijn huis opgepakt en op 1 september 1915 werd hij naar Aachen en erna naar Wittich gevoerd.

Na zes maanden kwam hij terecht in het kamp van Holzminden. In augustus 1916 zaten daar ook een 80-tal andere West-Vlamingen. In het kamp verbleven soldaten die gevangengenomen waren maar ook burgers, ongewenste Duitsers, veroordeelden, homoseksuelen, prostituees en ‘staatsgevaarlijk geachte pacifisten’. Het terrein was afgespannen met 2 m hoge prikkeldraad en er stonden wachttorens verspreid. Er waren een 100-tal barakken. In het begin van de oorlog was het leven in het kamp nog draaglijk. De gevangenen mochten hun burgerkledij blijven dragen, er was een kampkantine, een gaarkeuken en een hospitaal. Er was geen verplichting tot werken; om de tijd te doden was er een muziekkapel en een fotostudio. Vanaf 1918 werden de leefomstandigheden slechter en slechter.

Het laatste deel van de oorlog werd Richard naar een ander kamp gebracht, Lichtenhorz. Daar werd hij tewerkgesteld zonder enige vergoeding.