Matten Julien

Julien Matten was afkomstig van Boezinge bij Ieper. Op 22 april 1915 kwam hij als tienjarig jongentje in de chaos en paniek terecht na de eerste Duitse gasaanval in de Steenstraat. Julien vluchtte samen met zijn dove 22-jarige buurvrouw Marie Desaegheer en zijn 14-jarige zus Emma. De weg naar Ieper was afgesloten door de Duitsers en de omgeving lag bezaaid met lijken van Franse soldaten en kraters. Daarom vluchtten ze verder richting Roeselare. Ze belandden in een loopgraaf van Duitse soldaten waar ze niet welkom waren en werden door de officier buitengezet. Tijdens hun vlucht geraakten ze gewond door granaatscherven. In de verwarring verloren ze elkaar uit het oog. Tegen de avond vonden ze elkaar terug en kwamen ze op een boerderij terecht waar Duitsers verbleven. Na verzorging werden ze overgebracht naar Langemark, waar ze verder verzorgd en ondervraagd werden. Diezelfde avond werden ze getransporteerd naar Roeselare. Ze kwamen aan op 24 april 1915.

Marie en Julien werden verzorgd in het klooster van de Meensesteenweg. Marie had een lange herstelperiode voor de boeg en Julien werd geopereerd aan zijn zijde. Aan zijn rechterhand werd een vinger geamputeerd. Julien kwam snel terug op krachten.

In Roeselare was er tijdens de oorlog een comité ingesteld dat instond voor de ontvangst en opvang van vluchtelingen. In eerste instantie werd Julien ondergebracht in het plaatselijk opvangcentrum. Edmond Pil, een winkelier uit de Ooststraat en lid van het vluchtelingencomité nam hem op in huis. Julien sprak Edmond aan als ‘peter’. Wanneer Julien zijn plechtige communie deed in de Sint-Michielskerk bracht Edmond hem als zijn eigen zoon naar de kerk en organiseerde achteraf een feestmaal voor de jongen.

Op 2 februari werd Julien opgenomen in het hospitaal van de paters redemptoristen, waar hij een operatie moest ondergaan. Julien verzwakte sterk erdoor en overleed op 7 februari 1917 aan zijn verwondingen. Julien was zeer geliefd in Roeselare. Op zijn begrafenis op 10 februari in de Sint-Michielskerk was, naar men zegt, bijna heel de stad aanwezig.

Foto: collectie Eddy Lepez