Sioen Elias  en Vandewynckele Julia

Voor de oorlog was vader Eduard Sioen een thuiswever die in Kortrijk zijn linnen verkocht. De moeder van Elias werkte bij de boer. In de zomermaanden hielp Elias al snel mee op de boerderij, in de wintermaanden ging hij naar school. Tijdens de Eerste Wereldoorlog sloeg de familie Sioen uit Dadizele op de vlucht. Tijdens hun vlucht leerden ze de familie Vandewyckele uit Geluwe kennen.
De familie Vandewyckele woonde in Geluwe naast het Moeremaaibos, een ideale schuilplaats voor de Franse en Engelse soldaten. Omwille van deze locatie besloot de familie om te vluchten. Marie-Louise was hoogzwanger en vertrok met haar 6 kinderen. Henri Vandewyckele, haar echtgenoot, wachtte op hun oudste dochter Adeline, die net over de grens in Tourcoing als dienstmeisje werkte. Na aankomst van Adeline in Geluwe , zou haar vader de familie achterna reizen. De broer van Marie-Louise, Jules Desmet, vergezelde hen op hun tocht, samen met zijn vrouw en vijf kinderen. De gezinnen Desmet en Vandewynckele spanden twee koeien voor een houten kar en vertrokken met weinig mondvoorraad. Ze dachten immers dat ze na enkele dagen terug thuis zouden zijn.
Tijdens hun vlucht kwamen ze veel Engelse en Franse soldaten tegen die de opmars van de Duitsers wilde stoppen. Er was te veel volk op de smalle wegen en de tocht verliep moeizaam. Onderweg beviel Marie-Louise op 18 oktober 1914 van een zoon Paul. Door felle gevechten moesten de beide gezinnen alsmaar westwaarts trekken. Elke avond probeerden ze op een boerderij te slapen en wat te eten. Ze waren maanden op de dool en intussen was het december geworden, en bitter koud buiten. Iedereen in het gezelschap was moe en wilde binnen blijven. Tussen Vlamertinge en Poperinge kregen ze de toestemming om te verblijven bij een boer tot de winter voorbij was.
Intussen probeerden Henri en zijn dochter Adeline de familie te bereiken, maar dit lukte niet. Hoewel ze op slechts enkele kilometers van elkaar verwijderd waren, geraakten ze niet tot bij hun gezin aangezien de frontlinie dit onmogelijk maakte. Op bevel van Franse soldaten trokken de gezinnen Vandewynckele en Desmet steeds verder weg van het front richting Calais. Van daaruit vertrokken ze met Franse schepen naar La Rochelle op 15 januari 1915.
De vele vluchtelingen werden ondergebracht op stro in het ruim van het schip; rijkere families kregen een kajuit op het dek. Tijdens de reis kwam het schip in een hevige storm terecht. Velen werden zeeziek en moesten overgeven. Tijdens deze storm verloorJulia, een dochter van de Vandewyckeles, haar jonge broertje Paul uit het oog. Na de storm vonden ze het jongentje terug in de armen van Roger Vandamme. Roger was samen met zijn zus en moeder Helene Sioen op de vlucht. Helene was de zus van Elias. Op dit moment ontmoetten de families Vandewyckele en Sioen elkaar voor het eerst.

Bij aankomst in La Rochelle werden families zonder zieken naar oorlogsvrije gebieden in Frankrijk gebracht, met een proviand voor de treinreis. Families met zieken mochten blijven in la Rochelle, zolang hun familielid was opgenomen in het ziekenhuis. Kleine Paul Vandewyckele haalde het niet en stierf aan een longonsteking, een zware klap voor de familie.

Ondanks dit verdriet bouwden de twee families een leven op in La Rochelle. Julia Vandewyckele kreeg werk bij de bekende familie van de reder en consul van Denemarken en Zweden. Ook de andere kinderen die oud genoeg waren om te werken vonden een job. Elias Sioen vond werk als landbouwer en hielp in de haven bij het laden en lossen van schepen.
Eind 1915, begin 1916 werden Elias Sioen en Julia Vandewyckele verliefd op elkaar. Hun geluk werd echter snel verstoord wanneer Elias een oproepingsbrief kreeg van het Belgisch ministerie van oorlog. Elias moest naar Calais. Wanneer hij afscheid nam van de twee families zei hij: ‘Ween niet, ik kom wel terug!’. In Calais werd hij ingelijfd bij de Carabiniers-cyclisten en kreeg hij een opleiding met zijn fiets voor hij naar het front moest.. Op een bepaalde dag werd er een loopkoers georganiseerd met 1200 soldaten. De eerste drie soldaten zouden drie dagen verlof krijgen. Elias won de koers en mocht dus enkele dagen op verlof.

Aan het front was Elias een ‘plantrekker’. Het leven was er hard, maar door kleine taken uit te voeren voor de officieren, zoals hun haren te knippen, kon hij het zware werk in de loopgraven soms vermijden. In maart 1918 geraakte Elias echter gewond in de buurt van Reigersvliet.

Ondertussen bleef de familie van Julia vanuit La Rochelle brieven sturen naar het thuisfront waar vader Henri en dochter Adeline waren achtergebleven. Henri en Adeline waren dankzij het Rode Kruis te weten gekomen dat hun familie in La Rochelle verbleef. Ze kregen zelfs van de Duitsers toestemming om via het neutrale Zwitserland naar Frankrijk af te reizen. Aan de grens van Zwitserland en Frankrijk zaten ze echter wekenlang in quarantaine omdat de Franse soldaten schrik hadden dat ze Duitse spionnen waren. In de loop van 1917 kwamen ze toch aan in La Rochelle en was de familie herenigd. Adeline kon al snel als dienstmeid aan de slag in een apotheek.

Na de oorlog, op 15 juli 1919, stapten Elias en Julia in het huwelijksbootje in La Rochelle. Na de oorlog keerden de meeste vluchtelingen terug naar België, zo ook de families Sioen en Vandewynckele. Elias en Julia besloten echter in La Rochelle te blijven. Elias was namelijk bang dat hij in het naoorlogse Vlaanderen geen werk zou vinden. In La Rochelle kon Elias werken als havenarbeider, timmermansgast en monteur. Julia kon aan het werk blijven als dienstmeisje. Het gemis van haar familie viel Julia echter zwaar en ze wou graag terugkeren. Uiteindelijk gaf Elias toe en keerden ze terug naar Dadizele. Aanvankelijk leefden ze in een houten barak op de Klephoek, geleidelijk aan bouwden ze een echte woning ernaast. Elias vond werk en deed verschillende jobs.

Foto: Elias Sioen (zittend links) in Rodelinghem (collectie Patrick Soen)
Uit: Sprokkels HK Dadizele 2013, auteur Patrick Sioen