De eerste tekenen van oorlog in de BIE-regio

In de BIE-regio barstte het oorlogsgeweld los op maandag 19 oktober 1914, een dag die de plaatselijke geschiedenisboeken zou ingaan als "Schuwe Maandag". Dat betekent echter niet dat de oorlog voordien nog niet voelbaar was voor de inwoners van de streek.

Wanneer eind juli 1914 de eerste geruchten ontstonden dat België in de oorlog zou stappen, boden heel wat mannen zich vrijwillig aan om te gaan vechten. Op 31 juli volgde er uiteindelijk een algemeen mobilisatiebevel voor alle weerbare mannen uit de regio. Overal luidden de klokken en verwittigden de brandweerkorpsen de mannen die geschikt waren voor legerdienst. Vele inwoners zagen hun zoon, echtgenoot of vader vertrekken naar de oorlog. Onder de mannen was de sfeer vaak ontspannen, omdat iedereen veronderstelde dat de oorlog niet lang zou duren. Bovendien werd de verdediging van het vaderland als een heldendaad beschouwd. Na het vertrek van de eerste mannen vielen echter al snel de eerste doden. Zo stierf op 5 of 6 augustus Alidor Vermote uit Lichtervelde in de buurt van Luik, en kwam Leon Vanelslander uit Staden op 18 augustus om in de streek rond Tienen.

Augustus en september waren verwarrende en beangstigende maanden voor de inwoners van de BIE-regio. De ene dag kwamen er Duitse soldaten langs, de volgende dag zagen ze Engelse soldaten opduiken. Hoewel het oorlogsfront gestaag dichterbij kwam, was er in de regio nog geen zichtbare frontlinie. Ruim twee weken na de intrede van de Duitse troepen in België op 4 augustus 1914 werden de eerste Duitse verkenners gesignaleerd in de regio. Deze werden Ulanen genoemd.

Bij het uitbreken van de oorlog werd een burgerwacht ingezet. Herkenbaar aan hun blauwe kiel en armband met driekleur kregen ze de opdracht om de Duitse spionnen in de gaten te houden. Eind augustus bereikten geruchten de regio over gruweldaden op burgers in het oosten en het zuiden van het land. Uit angst om de Duitse bezetter te provoceren werd de burgerwacht opgeheven en riepen de burgemeesters in de meeste gemeenten hun burgers op om al hun wapens in te leveren.

De oorlog liet zich ook op materieel vlak voelen. Voertuigen, paarden en levensmiddelen werden door het Belgische leger centraal opgeëist en verzameld. Lichtervelde werd onder andere een verzamelpunt voor de paarden uit Roeselare, Hooglede en Gits die het leger had opgeëist. Er kwam een samenscholingsverbod; kermissen en concerten werden geannuleerd. Op economisch vlak werd de import en export van heel wat handelswaren aan banden gelegd en werd de afzetmarkt gevoelig kleiner. Daardoor waren heel wat mensen werkloos en dreigde er een schaarste van verschillende goederen.

In bijna alle gemeenten werd meteen na het uitbreken van de oorlog comités opgericht die zouden instaan voor de opvang van vluchtelingen en het verzorgen van gewonden. Burgers konden geld, voedsel en andere waren doneren om deze comités te steunen.

Foto: collectie Dirk Huyghebaert