Duitse Infrastructuur

Omwille van zijn strategische ligging achter het front was de BIE-regio een belangrijk knooppunt voor de aanvoer van munitie, levensmiddelen en soldaten naar het front. De Duitse bezetter eiste daarvoor heel wat gebouwen in de gemeentes op, maar bouwde ook zelf infrastructuren.

Voor de organisatie van de bezetting werden vooral scholen, kloosters en fabriekspanden uit de steden en gemeenten opgeëist voor de installatie van Duitse ziekenhuizen en bakkerijen, die daarnaast ook regelmatig een andere invulling kregen als opslagplaatsen of paardenstallen. Andere gebouwen kregen een bestemming als ‘soldatenheim’, een clubhuis waar de soldaten konden ontspannen wanneer ze er tijdelijk verbleven. Het fabrieksgebouw van Delafontaine in Oekene werd doorheen de oorlog voor verschillende doeleinden gebruikt. Aanvankelijk kreeg het pand de functie van paardenstal, later werd het omgebouwd tot een soldatenheim met filmzaal. Sommige gebouwen behielden hun functie maar stonden onder Duits bewind, zoals drukkerij Strobbe in Izegem.

Op het eerste gezicht blijft er van de Duitse infrastructuur in het landschap van de BIE-regio niet veel over. Toch zijn er enkele restanten die ons herinneren aan het strategische belang van onze steden en gemeenten. Op sommige plaatsen zijn nog bunkers terug te vinden die deel uitmaakten van de Duitse verdedigingslinies, zoals de bunkers in de Kortemarkstraat in Hooglede en aan de Ruiter in Roeselare. Naast bunkers bouwden de Duitsers in de BIE-regio ook pionierskampen en munitiedepots. In Hooglede was er een munitiedepot op de kruising van de Roeselarestraat en de Meibloemstraat. Ook oefenterreinen werden geïnstalleerd in de regio. Tijdens rustperiodes moesten de soldaten er oefenen op schietstanden en in nagebouwde loopgraven. Staden en Moorslede lagen dicht bij het front en dat was merkbaar in het landschap. In de Stadenberg werd een gangencomplex gemaakt met doorgangen onder de steenweg naar Vijfwegen. Ook in de Slijpsstraat in Moorslede werden ondergrondse gangen gemaakt. In deze gangen werden hospitalen ondergebracht, die dankzij hun ligging vlak achter het front het verlies aan manschappen hielpen beperken.

Een ander belangrijk onderdeel van de Duitse infrastructuur in de regio waren de begraafplaatsen. In bijna alle BIE-gemeenten waren er 1 of meer begraafplaatsen waar Duitse soldaten werden begraven. Op het einde van de oorlog waren er naar schatting 700 Duitse militaire begraafplaatsen verspreid over heel België. Na de oorlog werden ze in verschillende stadia gecentraliseerd. De laatste grote samenvoeging vond plaats in 1950; sindsdien zijn er in Vlaanderen vier Duitse verzamelbegraafplaatsen: in Vladslo, Langemark en Menen, en in de BIE-regio te Hooglede.

De BIE-regio vormde een belangrijk knooppunt voor transport van en naar het front. Spoorwegverkeer van treinen en trams was hierbij van groot belang. Omwille van hun strategische functie waren stations en spoorwegwissels vaak het doelwit van bombardementen. Ook kanalen en havens, zoals die van Roeselare, waren belangrijk.

Het transport bracht Duitse soldaten van en naar het front en vervoerde krijgsgevangenen naar hun werkkampen. Officieren zaten gewoonlijk in gesloten wagons, terwijl de soldaten meereisden in open wagens of wegens plaatsgebrek op het dak van de tram kropen. Daarnaast reden er ook veel treinen op en af met voedsel en munitie voor de soldaten. Met dit oogmerk hadden de Duitsers bijvoorbeeld een spoorlijn aangelegd die vanuit het station van Ledegem naar de Slijpshoek reed, waar in het bos een munitieopslagplaats was. Voorbij dit punt splitste de spoorlijn in twee lijnen richting het front. Om veiligheidsredenen gebeurde het vervoer van munitie, wapens, voedsel en kleren meestal ’s nachts.