Gedwongen arbeid en krijgsgevangenen

Tijdens de Eerste Wereldoorlog kwamen er in de BIE-regio heel wat krijgsgevangenen aan. Dit waren soldaten uit het geallieerde kamp die gevangengenomen waren door de Duitsers. De krijgsgevangenen werden zowel aan als achter het front tewerkgesteld. Ook burgers uit de BIE-regio werden tijdens de oorlog opgeëist om de Duitse zaak te dienen.

De krijgsgevangenen kregen een onderkomen in barakkenkampen. Zo was er op de hoek van de Diksmuidsesteenweg en de Oude Rozebekestraat in Hooglede een groot kamp voor Russische krijgsgevangenen, die ingezet werden voor allerlei militaire bouw- en herstellingswerken. Het kamp was hoog afgebakend met prikkeldraad en bood plaats aan 500 gevangenen. De slechte behandelde Russische gevangenen leden vaak honger. Naast Russische soldaten werden er ook Belgische burgers, beschuldigd van werkweigering of smokkeldaden.

In Izegem was er een kamp voor Italiaanse krijgsgevangenen in het kasteel Wallemote. De Italianenlaan in de buurt van het VTI is haar naam schatplichtig aan de Italiaanse krijgsgevangenen die in de omgeving tewerkgesteld werden. Er waren ook grote arbeiderskampen in de buurt van Moorslede en Staden. In Ingelmunster was er in de tweede helft van september 1917 een kamp voor Russische krijgsgevangenen, die er hielpen in de plaatselijke pioniersparken en munitiedepots en herstellingen uitvoerden aan de spoorwegen. In de regel mochten krijgsgevangenen niet aangesproken of geholpen worden: hen groeten, toeroepen, wenken of levensmiddelen aanreiken was ten strengste verboden.

Opgeeïste burgers door de bezetter moesten allerlei taken uitvoeren: wegenwerken, schrijnwerk, timmeren… De verplichte tewerkstelling tijdens de oorlog gold niet enkel voor Belgische mannen, maar ook voor vrouwen tussen 16 en 40 jaar. Burgers werden ingezet achter het front, maar ook aan het front, waar het omwille van de vele beschietingen en bombardementen zeer gevaarlijk vertoeven was. Wanneer ze weigerden te werken voor de Duitsers konden de inwoners een gevangenisstraf krijgen, of kreeg de gemeente een boete. Werkweigeraars werden soms naar gevangenissen in Duitsland gestuurd, zoals de bekende kampen in Munster en Soltau. De omstandigheden waren daar, vergeleken met de barakkenkampen in België, iets dragelijker omdat er internationale controle was. Toch bleef de huisvesting, voeding en hygiëne Spartaans.

Ook in de BIE-gemeenten werden in de loop van de oorlog heel wat burgers opgeëist om te werken voor de bezetter. In eerste instantie gebeurde dat vrijwillig, en werden de burgers betaald voor het werk dat ze verrichten. Later werden ze hiertoe echter verplicht. Zo moesten er in Hooglede allerlei burgers werken uitvoeren aan de verdedigingslijnen. Vanaf april 1915 was er een verplichte maandelijkse presentatie van alle weerbare mannen in Izegem op de grote markt. In 1917 moesten alle mannelijke Izegemnaars tussen 36 en 45 jaar zich op een vast aantal dagen melden om te werken, anders riskeerden ze een boete of tot zes weken gevangenisstraf. In Lichtervelde en Beveren stootte een soortgelijke verplichting op veel verzet. Op 9 november 1916 waren er 26 mannen tekort bij een oproep in Lichtervelde. Ze werden thuis met veel geweld opgehaald en een tijdje opgesloten. Om een voorbeeld te stellen, haalden de Duitsers de ongehoorzame mannen elke dag uit de gevangenis en stelden ze in de koude tentoon op de markt.

Dat burgers werkten voor de Duitsers viel niet in goede aarde bij de geallieerde troepen. Op 8 juni 1915 gooide een Brits vliegtuig in de gemeenten een briefje uit dat “de laffe vaderlanders die om wat judasgeld de heiligste belangen overtreden” veroordeelde, en eindigde met: “Lafaards zijt gij, grote of kleine, die er aan meewerken, gij zijt de onwaardigste van mensen en wacht u voor de wraak.”

Op de foto zie je Russische Krijgsgevangenen in Lichtervelde (collectie Heemkundige Kring Karel van de Poele Lichtervelde).