Kunst tijdens de oorlog

Op het eerste gezicht lijken oorlog en kunst ver van elkaar af te liggen, maar toch blijkt dat kunstenaars uit allerhande disciplines zich door de gruwel en verwoesting van de oorlog lieten inspireren. Dat was ook het geval in de BIE-regio tijdens de Eerste Wereldoorlog. Niet alleen soldaten lieten hun artistieke kant zien, ook de burgers aan het thuisfront gingen soms creatief aan de slag met oorlogsthema’s en -objecten.

Loopgravenkunst was kunst waarbij frontsoldaten aan de slag gingen met dingen die ze voorhanden hadden in de loopgraven, zoals obushulzen, kogels, en andere militaire afvalproducten. De soldaten maakten ringen, briefopeners, asbakken en luciferdoosjes, of ontwierpen postkaarten om naar het thuisfront te sturen. Die loopgravenkunst, ook wel trench-art genoemd, werd vaak als aandenken meegenomen naar huis of opgestuurd naar familie en vrienden. Sommige soldaten zetten een handeltje op met hun werkjes en verdienden op deze manier een extra stuiver. Het maken van kunstwerken was in de eerste plaats een manier om de tijd te verdrijven tijdens de lange wachttijden in de loopgraven, maar ook aan het thuisfront maakte men trench-art.

Tijdens rustperiodes weg van het front waren er onder de soldaten vooral veel schilders en tekenaars die hun emoties probeerden te verwerken via hun kunst. De meeste kunstenaars gebruikten een schetsboek en werkten hun werk na de oorlog volledig af. Vooral kerktorens, al dan niet vernietigd door beschietingen, werden vaak afgebeeld.

Naast beeldende kunst werd er tijdens de oorlog ook veel muziek gespeeld en gecomponeerd. Het maken van muziek zorgde vaak voor een goede sfeer onder de troepen. Voor de ontspanning van de soldaten waren muziekkapellen dan ook erg belangrijk. Ze speelden niet enkel bij marsen of parades, maar hielden ook concerten op markten en pleinen, of in de officierscasino’s en soldatenheims. De plaatselijke bevolking kon op tijd en stond meegenieten van hun muziekwerken.

Ook heel wat schrijvers schreven hun verhalen over de oorlog neer in hun dagboeken, die vaak na de oorlog als boek werden uitgegeven.

Foto: collectie Johan Vandekerkhove