Luchtvaart

Tijdens de Eerste Wereldoorlog speelde luchtvaart voor het eerst in de Europese geschiedenis een beslissende rol. Oorlogsvoering die berustte op luchtvaart was kenmerkend voor Wereldoorlog I, en luchtvaarttechnieken ondergingen dan ook een grote evolutie doorheen de oorlog. De overmacht in de lucht was wisselend. In april 1917, omwille van de zware verliezen aan geallieerde zijde ‘Bloody April’ genoemd door de Britten, had Duitsland de controle over het luchtruim in handen. Van juni 1917 tot april 1918 waren de Britten superieur.

De BIE-regio was een strategisch gebied waarin de Duitsers heel wat infrastructuur uitbouwden zoals de verschillende vliegvelden in de streek. Zo waren er vliegvelden in Beveren, ten zuiden van de weg Beveren-Roeselare, in Lichtervelde aan de Bollestraat en in Ingelmunster aan de grens met Meulebeke. Niet alle vliegvelden bleven heel de oorlog in dienst. Sommigen verhuisden noodgedwongen van locatie omdat ze te dicht in het bereik van de vijand kwamen te liggen of te vaak het doelwit werden van bombardementen, zoals bijvoorbeeld het geval was in Rumbeke.

In eerste instantie werden vliegtuigen ingezet voor verkenningsvluchten. Vanuit de BIE-regio vertrokken heel wat vliegtuigen naar de frontstreek, of naar onbezet België en Frankrijk. Het gebeurde echter geregeld dat geallieerde en Duitse piloten elkaar tijdens een verkenningsvlucht tegenkwamen. Het duurde niet lang vooraleer zulke ontmoetingen uitdraaiden op gewelddadige confrontaties en allerhande wapens hun intrede deden in het luchtruim. Aanvankelijk ging het vooral om kleinschalige schietpartijen tussen piloten, die met revolvers werden uitgevochten. Later werden vliegtuigen steeds meer omgebouwd tot echte jachtvliegtuigen en evolueerden de man-op-man gevechten steeds vaker naar grootschalige confrontaties tussen groepen vliegtuigen.

Naast het gebruik van vliegtuigen voor verkenningen werden ook waarnemingballonnen de lucht ingelaten om een beter zich te krijgen op bepaalde gebieden, en om de positionering van vijandige troepen in kaart te brengen. De ballonnen waren met de grond verbonden door een staaldraad en werden door middel van een windas op en neer gelaten. Onder de ballon was een rieten mand waarin een waarnemer zat, die bij helder weer met een verrekijker de frontactiviteiten in de gaten kon houden en zijn bevindingen per telefoon doorgaf aan de centrale. Daarnaast waren observatieballonnen ook belangrijk om artilleriedoelwitten te spotten en grondaanvallen van bovenaf te sturen. Omwille van hun strategisch belang bij het vergaren van informatie waren waarnemingsballonnen vaak het doelwit van jachtvliegtuigen. Voor piloten was een aanval op een ballon echter een gevaarlijke onderneming, aangezien ze doorgaans vanop de grond verdedigd werden door luchtafweergeschut. Wanneer een ballon onder vuur genomen werd kon de waarnemer zich vaak redden met behulp van een parachute.

In de loop van de oorlog werden vliegtuigen ook ingezet voor bombardementen. Ook dat verliep aanvankelijk op primitieve wijze: vaak gooide een piloot gewoon granaten of stalen pijlen naar beneden op de troepen van de tegenstrever. Vooral vanaf 1917 kreeg ook de BIE-regio regelmatig af te rekenen met bombardementen.