Onderwijs

Tijdens de Eerste Wereldoorlog stond het onderwijs in de bezette gebieden op een laag pitje. Heel wat leraars hadden zich bij het begin van de oorlog opgegeven als vrijwilliger of waren met hun gezin op de vlucht, waardoor er in veel scholen een tekort was aan leerkrachten. Interim leerkrachten en kloosterzusters werden ingezet om het tekort aan onderwijzend personeel op te vangen.  

Daarnaast werden er ook veel schoolgebouwen opgeëist door de Duitse bezetter als lazaret of opslagplaats. In Hooglede, Sleihage, werd de school door de Duitsers gebruikt om paarden te stallen en als kantine voor de soldaten. In Oekene werd de gemeenteschool een ziekenhuis voor tyfuspatiënten. De schoolinfrastructuur overleefde de Duitse overname vaak niet: heel wat lessenaars werden tot brandhout herleid. Boeken, schriften en ander materiaal werd vaak kriskras op grond gegooid. 

Door het tekort aan klaslokalen moesten de scholen noodgedwongen uitwijken naar alternatieve locaties zoals cafés, winkels en barakken. Zo moest de school in Dadizele rond Pasen 1917 haar activiteiten verplaatsen naar herbergen en bakkerijen, en werd in Ingelmunster de sacristie tijdelijk als school gebruikt. In Roeselare werd lesgegeven op wel 20 verschillende locaties verspreid over de stad. 

Door de oorlog was het vaak ook gevaarlijk voor leerlingen om naar school te gaan; veel kinderen moesten noodgedwongen thuis blijven bij hun ouders. Voor de oorlog gingen er bijvoorbeeld veel kinderen uit Izegem te voet naar het Klein Seminarie in Roeselare. Tijdens de oorlog kon dit niet meer, omdat inwoners niet meer vrij over de gemeentegrenzen heen mochten bewegen. De leerplicht was niet lang voor de oorlog ingevoerd, maar was nog niet ingeburgerd. Veel ouders vonden dan ook dat de kinderen best thuis een handje konden helpen, zeker als de kostwinner van het gezin aan het front zat. Soms kregen de kinderen thuis les van een behulpzame onderwijzer of dokter.

Tijdens de oorlog werd het onderwijs soms hervat op initiatief van de scholen zelf, of op aandringen van de Duitsers. De bezetter deed dat vooral uit eigenbelang: kinderen die zich op straat begaven, liepen de soldaten enkel voor de voeten. Indien kinderen bijgevolg de dupe werden van militaire feiten, kon dit bovendien anti-propraganda aanwakkeren, iets wat de Duitsers tegen elke prijs wilden vermijden. Bovendien haalden de niet schoolgaande kinderen ook dikwijls kattenkwaad uit, waarvoor ze soms streng gestraft werden door de Duitsers. Om zoveel mogelijk kinderen op school en van de straat te houden, herinnerden ze de bevolking er op verschillende manieren aan dat er een leerplicht was. Directeur Emile Benoot moest hierover op 28 oktober 1916 in zijn wereldlijke school voor jongens in Roeselare een speciale plakbrief afficheren, en moest aan zijn leerlingen uitleggen dat ze naar de les moesten komen.

Wanneer scholen heropenden waren er soms delen van de school bezet voor de inkwartiering van Duitse soldaten. Dit had als gevolg dat er reglementen moesten gemaakt worden: zo werd er slechts enkele uren per dag les gegeven, en was er geen speeltijd. De kinderen kregen als compensatie veel huiswerk mee. 

Tijdens de oorlog waren er ook veel kinderen op de vlucht. In het buitenland, zoals in La Rochelle in Frankrijk, werden Vlaamse scholen opgericht, waar de kinderen in hun moedertaal les konden volgen. Ook in de BIE-regio gingen heel wat kinderen van vluchtelingen uit andere regio’s naar school. De Heilig Hart school van de Grauwzusters, bijvoorbeeld, telde veel kinderen die gevlucht waren uit Ieper onder haar leerlingen.