Regels en Wetten

Tijdens de eerste oorlogsmaanden bleek al snel dat de Duitsers de bezetting goed hadden voorbereid. Bijna alle bezette gemeenten kreeg een militair bestuur dat het leven van de inwoners aan banden legde met heel wat regels en wetten.

In bijna iedere gemeente richtte men een Ortskommandantur op met aan het hoofd een plaatscommandant, de Ortskommandant. In Hooglede was de Ortskommandantur gevestigd in de school van Sleihage. Op veel plaatsen volgden heel wat Ortskommandanten elkaar in sneltempo op. Zo kende Lichtervelde wel 19 verschillende besturen doorheen de oorlog. 

De plaatscommandant zorgde voor de rust, orde en veiligheid. Verder stond hij in voor de Duitse infrastructuur en voor het onderkomen, de bevoorrading en ontspanning van de ingekwartierde troepen in de BIE-gemeenten. De vele soldaten kregen een onderkomen in grote gebouwen zoals scholen, maar ook zeer vaak bij de mensen thuis. Soms kwamen de soldaten in zo’n grote aantallen aan in een dorp dat de bewoners uit hun huis verdreven werden om de soldaten te kunnen huisvesten. Zo moest Hooglede-Gits soms meer dan 1000 soldaten herbergen en arriveerden in Roeselare na de 1e slag bij Ieper 7000 soldaten aan. 

Het Duitse bestuur stelde erg veel regels op die de inwoners moesten naleven. Over het algemeen waren die wetten gelijkaardig voor heel het bezette gebied. De strengheid en willekeur van de regels was echter sterk afhankelijk van de plaatselijke Ortskommandant, en vertoonde dus behoorlijk wat regionale variatie. Zo waren er reglementen over de openingsuren van de herbergen, het inleveren van reisduiven, het instellen van de Duitse tijd en het verbieden van Franse opschriften. Sommige Ortskommandanten voerden een echt terreurbeleid, zoals Rittmeister Stephenson in Hooglede, die voortdurend geld, voeding, goederen en werkvolk opeiste. Ook Ortskommandant Prasse in Roeselare stond bekend als een nors man. 

In de gemeentes bleven de gemeenteraad met burgemeester en schepenen aangesteld, maar ze hadden niet veel in de pap te brokken. In theorie stonden zij in voor de burgerlijke zaken en het Duitse bestuur voor de militaire zaak. In de praktijk moest het plaatselijke bestuur echter naar de pijpen van de Duitsers dansen. 

België werd tijdens de bezetting opgedeeld in drie grote gebieden. Het Okkupationsgebiet bestreek het grootste deel van het land. Het Etappengebied omvatte grote delen van West- en Oost-Vlaanderen, en een deel van Henegouwen en Luxemburg. Het derde deel, het Operationsgebiet, was een frontzone van 25 km breed. Achter de frontzone lag het frontgebied dat begon vanaf de Stadenberg; daar waren geen burgers meer toegelaten. De gemeenten uit de BIE-regio lagen allemaal in het Operationsgebiet, met uitzondering van Ingelmunster, dat tot het Etappengebied behoorde. Hoe dichter een gemeente bij het front lag, hoe strenger de regels doorgaans waren.

Foto: collectie Stadsarchief Roeselare