Spionage en verzet

Tijdens de Eerste Wereldoorlog bouwden alle betrokken landen een omvangrijk spionagenetwerk uit. Naast duizenden professionele spionnen, zowel mannen als vrouwen, schakelden de inlichtingendiensten ook op grote schaal amateurs in. Tijdens de oorlog waren er een 1500-tal Belgen betrokken in de spionagepraktijken van het Belgische en het Franse leger. Zo’n 5000 Belgen hadden banden met de inlichtingendienst van de Britten.

De spionnen legden zich vooral toe op het surveilleren van militaire transporten. Zo werd de 60-jarige Aloïs Van Gheluwe uit Westrozebeke op 11 augustus 1916 in Gent gefusilleerd omdat hij deel had uitgemaakt van een spionagenetwerk dat in opdracht van het Belgische leger het spoorwegverkeer in Kortrijk dag en nacht observeerde vanuit 3 verschillende wachtposten. Spionnen hielden verder meestal ook het doen en laten van de ingekwartierde soldaten in hun gemeente in de gaten.

De inlichtingen en rapporten van de spionnen werden aan agenten van de geheime dienst bezorgd. De hoofdkwartieren van de geheime diensten lagen vaak in Nederland en vormden het eindpunt van vele wijdvertakte spionagenetwerken. Koeriers brachten de inlichtingen naar de grens met Nederland, die met prikkeldraad was afgezet. Eenmaal aan de grens werd de informatie soms op een afgesproken plaats en tijdstip over de draad gegooid. Samenwerking met plaatselijke bewoners resulteerde vaak in het doorgeven van de inlichtingen aan een passeur op drukbezochte plaatsen zoals winkels en café’s. Via een lijn van passeurs reisde de informatie dan verder naar Nederland. Passeurs waren vaak professionele smokkelaars ingezet als geheim agent. Ze waren vaak erg creatief in het verstoppen van hun informatie. Documenten werden Nederland ingesmokkeld in hoeden of koffers met dubbele bodem, of met ballonnen via de lucht de grens overgebracht.

Vrouwen hadden een opmerkelijk groot aandeel in oorlogse spionagemissies. La Dame Blanche, het bekendste Belgische inlichtingennet dat samenwerkte met de Britten, telde meer dan 1000 vrouwen onder haar agenten. Veel vrouwen bekleedden tijdens de oorlog immers een functie, zoals die van verpleegkundige, die een goede infiltratie in vijandige instellingen mogelijk maakte. De bekendste vrouwelijke spion uit de BIE-regio is Martha Cnockaert.

Deze spionage op grote schaal was een zeer riskante onderneming. Er waren ook veel burgers die op kleinere schaal verzet pleegden tegen de bezetter. Heel wat burgers verstopten Franse, Britse en Belgische militairen in hun huis en hielp hen naar de Nederlandse grens. Als de bezetter dit ontdekte stonden er zware straffen hierop. Burgers smokkelden ook vaak brieven tot over de Nederlandse grens. De motieven voor verzet bij burgers waren divers. Vaak was dit patriottisme, wraak en zin voor avontuur. Door de gewelddadige inval van de Duitsers in de eerste oorlogsmaanden had men heel wat gruwelijke verhalen gehoord over de Duitse soldaten. De verhalen van de drama’s in de martelaarssteden zoals Aarschot, Tamines, Dinant en Leuven, waar honderden burgers gefusilleerd waren, maakten een diepe indruk. De Duitse gruwelen werden ook sterk aangedikt voor de propaganda. Ook winstbejag speelde een rol. Tijdens de oorlog eiste de bezetter veel goederen en voedingswaren op van de bevolking. Vaak gaven ze slechts een deel af van hun opbrengsten en verkochten een deel op de zwarte markt.

In de BIE-regio werden veel priesters, paters en zusters beschuldigd van spionage omdat ze via hun kerktoren en kerkklok signalen zouden doorgeven aan de vijand. Zo werd er een onderzoek gedaan naar het patersklooster in Izegem omdat  de Duitsers beweerden dat er daar zou gespioneerd worden via elektrisch licht en de slag van de uurklok. De Duitsers vielen ook in het klooster van Moorslede binnen omdat ze meenden licht te hebben zien branden in de kapeltoren en omdat ze vermoedden dat daar Britse militairen of spionnen schuilhielden. Ze bedreigden  moeder-overste en de directeur maar keerden zonder resultaat terug. Ook werden heel wat Molens tijdens de oorlog stilgelegd omdat de wieken hiervan ook signalen zouden kunnen uitsturen.  Zo werden alle molens in Westrozebeke in brand gestoken om te voorkomen dat er zou worden gespioneerd.

Tijdens de oorlog werden in bezet België heel wat duiven opgeëist door de bezetter. Deze waren namelijk ook een groot spiongevaar volgens de Duitsers. Meermaals werd er in de gemeenten affiches uitgehangen waarop stond dat  ze moesten ingeleverd worden. Er werden ook heel veel duiven door de Duitse bezetter gedood. Deze affiche is afkomstig van het Stadsarchief in Roeselare.