Wederopbouw

Na de oorlog bleef de BIE-regio grotendeels verwoest achter. Gemeenten die dicht bij het front lagen, zoals Westrozebeke, Oostnieuwkerke, Moorslede en Dadizele, waren compleet met de grond gelijk gemaakt. Ook gemeenten die iets verder van het front lagen waren zwaar getroffen na de vele bombardementen en de harde gevechten van het eindoffensief.

Met uitzondering van Kachtem, Emelgem, Oekene en Ingelmunster kwamen de BIE-gemeenten, net zoals vele andere gemeenten in de Westhoek, onder de hoede van de Dienst der Verwoeste Gewesten. Deze dienst stond in voor de wederopbouw van gemeenten die zelf de financiële verantwoordelijkheid van de herstelwerkzaamheden niet konden dragen. 

In bijna alle verwoeste gemeenten koos men voor een snel herstel en een reconstructie van de vooroorlogse gebouwen. In Roeselare plande men echter om te experimenteren met nieuwe stijlen. Zo werd er beslist om in het gehucht Batavia een tuinwijk te bouwen, een internationaal voorbeeld van kwaliteitsvolle en betaalbare wederopbouw.
 
In de periode van de wederopbouw ontving de BIE-regio meermaals hoog bezoek. Op 17 juni 1919 brachten de Belgische koning Albert I en de toenmalige Amerikaanse president Wilson een bezoek aan Roeselare. Koning Albert I ging ook langs in Moorslede om de schade op te meten. In de nasleep van de oorlog werden ook heel wat monumenten opgericht en herdenkingsceremonies georganiseerd.

Na de ondertekening van de wapenstilstand op 11 november, bleef de oorlogssituatie in de gemeenten nog een tijdje duren. Huisvesting was bijvoorbeeld een groot probleem. Heel wat woningen waren niet meer bruikbaar, en wel nog bewoonbare huizen werden meestal gebruikt voor het inkwartieren van Franse soldaten die nog een tijdje aanwezig waren in de regio. Ook de voedselrantsoenering bleef na afloop van de oorlog nog een tijdje behouden, omdat de voedselvoorziening nog niet meteen op punt stond. Sommige gemeenten moesten veiligheidsmaatregelen nemen omdat er op heel wat plaatsen nog ontplofbare munitie lag.

Na de oorlog bezochten de eerste toeristen de slagvelden. In eerste instantie ging het vaak om soldaten die de slagvelden nog een laatste keer wilden bezoeken voor ze terugkeerden naar huis, of die familieleden wilden rondleiden. De plaatselijke bevolking verkocht heel wat prentkaarten en opgepoetst oorlogstuig aan de bezoekers. Later kwam een stroom van familieleden op gang, die de graven van hun geliefden wilden bezoeken. Aanvankelijk was dat niet zo evident wegens de spreiding van de begraafplaatsen over het hele gebied en de begraving van heel wat gesneuvelde soldaten in veldgraven. Al heel vlug stichtte men de traditie van grafmeters en -peters. Dat waren burgers die instonden voor het onderhoud van bepaalde soldatengraven. De grafmeters brachten af en toe een bezoek aan de kerkhoven, al dan niet in het gezelschap van de familie van een gesneuvelde soldaat.
Heel wat soldaten werden geïdentificeerd en naar de begraafplaats van hun thuisgemeente overgebracht. De talloze Duitse begraafplaatsen in de BIE-regio smeltten stap voor stap samen tot 4 gecentraliseerde militaire begraafplaatsen in Hooglede, Menen, Vladslo en Langemark. Gesneuvelde Franse soldaten kregen vaak een repatriëring naar Frankrijk. In Dadizele is er een Britse begraafplaats.

Foto: collectie Dirk Verhelst